Grand Hotel Europa


Ilja Leonard Pfeijffer is een taalmeester. Zijn kloeke bestseller over de toeristische uitverkoop van Europa bevat scherpe waarnemingen en treffende verwoordingen. Maar goed schrijven maakt je nog geen schrijver.

Het is in your face met Ilja en zijn roman over massatoerisme in Europa. Toerisme is neokolonialisme, Europa is een aan het infuus liggend museum, immigranten zijn de toekomst: het zijn zo wat standpunten op de half duizend pagina’s die de schrijver nodig heeft om zijn visie te ventileren. Nieuw is het issue ook niet – de kranten schrijven al jaren over de schaduwkanten van massatoerisme. Dat het unieke van een stad precies datgene is dat haar om zeep helpt. Dat toerisme weinig meer is dan het afvinken van hot spots als bewijslast van de eigen bijzonderheid. Dat toerisme een vorm van escapisme is om je niet aan de gewone wereld te binden, aldus Pfeijffer, wiens Rijswijkse wortels de Italiaanse grandeur nodig hadden om tot bloei te komen.

Een taalmeester is Pfeijffer zeker. Zijn vaak alinealange zinnen blijven goed leesbaar en zijn woordkeus is niet zelden ingenieus. Zo is de biënnale in Venetië “een overdosis voorspelbare vervreemding”, bestaat de lokale bevolking in Skopje uit “nozems op brommers die de verveling aan flarden scheuren” en “norse snorren die de moderniteit in koffiehuizen weglachen” en beschrijft hij de culturele leegte van Abu Dhabi als “de eindoverwinning van een agressief en onverschillig materialisme, waarbij cultuur en kunst geen enkele waarde vertegenwoordigen dan de prijs en niets anders verheffen dan de pikken van ego’s van verwende rijkeluiszoontjes”.

Maar bij dit alles aan spitsvondigheden rijst maar één vraag: waar is de roman in dit verhaal? Zit het in de tientallen pagina’s tellende recensie over een tentoonstelling van Damian Hirst? In de karikaturale beschrijvingen van toeristen waarmee de schrijver de lachers op zijn hand zoekt? In de teraardebestelling van grand dame Europa door afgedankte adel en uitgerangeerde grootheden? Nee, aan persoonlijke bespiegelingen en obligate metaforen denk ik niet als ik “roman” op de kaft lees.

Grand Hotel Europa is meer een voertuig voor de auteur om zijn encyclopedische kennis over Italië en persoonlijke opvattingen over massatoerisme te etaleren dan een fraai staaltje vertelkunst waarin meerdere verhaallijnen of diepere betekenissen de lezer in een wereld doen afdalen waarin ruimte is voor eigen interpretatie van het geschrevene. Daar biedt een Da Vinci code-achtige zoektocht naar een doek van Caravaggio met een prikkelbare muze, die na des schrijvers seksuele traktaties steevast van genot als een “gewond diertje voorovervalt”, geen tegenwicht aan. 

Drie maanden deed ik erover om deze alombejubelde en groteske pil uit te lezen. Natuurlijk, ik begon in een nieuwe baan die veel van mijn tijd opslurpte, maar ik had geen enkel moment de behoefte mijn spaarzame vrije tijd met dit boek door te brengen. Het was een opdracht, geen verlokking. Ilja Leonard Pfeijffer is geen begenadigd schrijver, maar een begaafd essayist. Een erudiete expressionist die massa’s lezers trekt aan wie hij zijn Europese ziel kan tonen.

Plaats een reactie