Mitsukoshi troostbaby company


De Mitsukoshi troostbaby company heeft veel in zich om literatuur te vernieuwen. Een keuze die tot grote spijt leidt, een androïde ter compensatie en tijdreizen om fouten te herstellen. En dat alles afgezet in een alledaagse wereld die niet in het minst aan Star Wars doet denken. Helaas behoor ik niet tot de grote schare lezers die dit boek met groot genot heeft gelezen. Daar baal ik echt van.

In Troostbaby krijg je het verhaal drie keer opgediend. De eerste keer gebeurt dat als dagboekfragment van het schrijvende personage Auke van der Hulst (geen verschrijving). Hij schrijft over zijn stukgelopen relatie, over zijn in Japan bestelde robotdochter Scottie en over het boek waaraan hij werkt. Dit deel – zo’n 250 pagina – bevat prachtige zinnen waarvan je hoopt dat de punt maar nooit zal komen. Scottie doet je daarbij verlangen naar de komst van androïdes in de echte samenleving. Dat Auke Hulst de gave van de griffel beheerst, staat ook met dit boek als een paal boven water.

Maar dan wordt het verhaal opnieuw geserveerd, nu als de roman waaraan Auke in zijn eerste deel heeft gewerkt. Dit Droste-verhaal beschrijft de wederwaardigheden van de hoofdpersoon (nu Kaj geheten) en zijn vriendin opnieuw, helaas tot in detail en zonder ‘o, maar zat dat zo’s!’ Als klap op de vuurpijl krijgen we de relatie voor de derde keer voorgeschoteld als Kaj gaat tijdreizen om verkeerde keuzes recht te zetten. Daarmee zitten we in een Dubbele Droste.

Het is deze hoeveel aan cacao die het verhaal laat wegzakken in een moeras van talloze uitweidingen en variaties op herhalingen. Ook Kajs eindeloze bespiegelingen gaan ten koste van de diepgang van het verhaal. Zo’n beetje elke persoonlijke waarneming en overpeinzing die hij in zijn leven doet wordt minutieus beschreven. En die zijn niet altijd even boeiend.

Zo blijkt de man een meester in het cultiveren van het eigen lijden. Dat gaat als volgt. Als schrijver voelt Kaj zich veilig in de rol van onbeholpen buitenstaander, hij kijkt daardoor met minachting naar mensen die zich ogenschijnlijk wel met gemak in de wereld bewegen, beseft vervolgens dat hij deze mensen nodig heeft om erkend te worden, ziet dan de huichelarij van zijn verachting in, ervaart daardoor verminderde eigenwaarde en heft ten slotte dat ongemak op door de positie van zonderling te omarmen. En dan weer terug naar 1. En daarna opnieuw.

Ook blijkt de schrijvende hoofdpersoon ons te moeten trakteren op redelijk uitgekauwde toekomstvisies en wijsgerige verzuchtingen. Net als in Van Dis’ Klifi schetst hij ons een dommig want rechts-populistisch leiderschap dat hardnekkig vasthoudt aan wat eens Nederland was, dat over commercie de loftrompet steekt en over kunst schampert. Of deze: “En wie zegt dat onze werkelijkheid niet een afsplitsing van een afsplitsing van een afsplitsing is?” Tja, wie zegt dat niet? 

Voor wie Troostbaby niet biedt wat hij of zij had gehoopt en daarover een stukje wil schrijven, heeft de hoofdpersoon aan het eind van zijn boek alvast een weerwoord klaar. Kaj annex Auke annex Auke heeft een hekel aan luie recensies: beoordelingen van lezers die “niet proberen te begrijpen wat een schrijver met een tekst wil, maar alleen maar bezig zijn met wat ze liever hadden gelezen.”

Ik ben zo’n luie recensent. Bij literatuur hou ik meer van verhalen met marginale moralen dan vanuit de schrijversstoel toegeworpen, weinig doorwrochte wijsheden. En wel om dezelfde reden als die waarom de hoofdpersoon ons toevertrouwt zijn boek te hebben geschreven: “om te voldoen aan de noodzaak van de eigen geest”. 

Plaats een reactie