
Philip Dröge struint in de takken van zijn Indonesische stamboom en achterhaalt dat zijn voorouders ofwel door de Nederlanders werden overheerst ofwel tot die overheersers behoorden. De zoektocht naar aanwijzingen voor hun aanwezigheid in het huidige Jakarta levert een doordringend reisverslag op.
Het is 1631 als Hester de Solemne met haar dochters Esther, Janneke, Sofia en Sarah de ambitie van haar man David volgt door in Amsterdam aan boord te gaan van de Wezel, dat samen met twee andere schepen de koers oostwaarts zet. De bestemming: het tienduizend kilometer verderop gelegen Batavia, waar de VOC een florerende maar bloedige handel in specerijen drijft. Na jaren actief te zijn geweest tegen de Spaanse overheerser krijgt David daar een nieuwe, aanzienlijkere baan. Hij wordt commandeur van het leger van de VOC. Alsof je nu in het privéleger van McDonalds treedt om opdringers als KFC en Burger King in den vreemde uit te schakelen.
David stelt zijn gezin voor een gevaarlijke uitdaging die al begint met de acht maanden durende zeereis. Besmettingen vinden op zee razendsnel voeding en twisten vatten makkelijk vlam. Zo weten Davids soldaten een opstand onder de scheepsbemanning af te slaan. Hij weet wel raad met de muitende officieren: drie keer kielhalen bij Kaapstad. De handtekening die de kersverse commandeur daarvoor in het scheepsjournaal plaatst, vindt zijn nazaat eeuwen later terug.
Het zijn dergelijke aanwijzingen waarnaar Philip Dröge op zoek is als hij het moderne Jakarta afschuimt op sporen van zijn voorouders. Onvermoeibaar, zoals alleen familie kan doen. Maar de overblijfselen zijn schamel. Batavia, de Nederlandse naam voor Jakarta, is een metropool geworden met weinig historisch besef. Sporen uit het verleden hebben plaatsgemaakt voor eindeloze shoppingmalls waar de Indonesiër zijn vrije tijd doorbrengt. Stadswallen zijn overgoten met lagen asfalt waar miljoenen brommers en auto’s non-stop rondrazen. En dan is er het beton om de stoepen op te hogen die jaarlijks meer dan vijf centimeter verzakken. Zo ligt de stoep bij een nog geen eeuw oud gebouw nu op navelhoogte van de begane grond van het pand.
Jakarta zakt weg door de eindeloze bouwlust van 35 miljoen mensen op de grootte van de provincie Utrecht. Tegelijkertijd wast het zeewater en plenst het hemelwater. De bodem klinkt in en over tien jaar staat het merendeel van de straten onder water. Niet zelden komt met uitwerpselen doordrenkt drinkwater de kraan uit. Ingenieursbureau Haskoning bedacht een oplossing, maar de huidige bestuurder van Jakarta wil “niet opnieuw door Nederlanders worden geregeerd”. Die heeft een onorthodoxere oplossing: we bouwen duizend kilometer verderop een nieuwe hoofdstad en laten de oude gewoon wegzinken. De zee geeft, de zee neemt. Eerst een handvol Hollanders, straks een metropool. Dan is er niets meer over van Dröges oorspronkelijke habitat.
Onderwijl blijkt de genenpoel van Dröge een kluwen van rangen en rassen. Zo is hij niet alleen een nakomeling van Hollandse elite, maar ook van een slavin uit Papoea, een Duitser die Chinezen vermoordt, een Chinese met lange oorlellen en in jappenkampen gestopte Indo’s. Wat te doen met zo’n achtergrond? Naar de maatstaven van het moderne erfzondevraagstuk, waarin de wereld netjes wordt opgedeeld in bevoorrechten en achtergestelden, is de auteur zowel goed als slecht. Moet hij zowel herstelbetalingen verrichten als smartengeld ontvangen. Met Moederstad blijkt maar weer dat je niet zozeer bent wat je voorouders waren maar wat jij nu doet. Philip Dröge is de schrijver van een interessant verhaal. Een verhaal dat het verdient om aan beide zijden van de wereldbol gehoord te worden, zolang dat nog kan.